volgende       volgende
1773

Diefstal in Diemen: Joden en roversbendes

In de zomer van 1773 was de roversbende met de boot naar Diemen gevaren. Tevergeefs had zij daar een herberg en een boerderij overvallen. Een vrouw had alarm geslagen en de bende was gearresteerd. In dit geval bestond de bende vooral uit Hoogduitse Joden. Portugese Joden raakten minder betrokken bij criminaliteit. Terwijl de verhouding van Asjkenaziem en Sefardiem tussen 1700- 1795 in aantal ongeveer 4:1 bedroeg, was tussen 1680 en 1795 de ratio van betrokkenheid bij criminaliteit van Asjkenazische tegenover Portugese Joden tien keer zoveel: 40:1. Het gaat hier vooral om Joden zonder vaste woon- of verblijfplaats, die vaak op het platteland en in de grensstreken opereerden, maar soms ook in de stad. Hun werkterrein trok zich overigens weinig aan van de grenzen tussen landen. Portugezen opereerden in zuidelijke richting, via Brussel en Parijs tot in Spanje toe en soms ook in Engeland. Hoogduitse Joden hadden de Duitse landen en Oost-Europa als achterland: daar hadden zij de meeste contacten en daar kwamen ze ook vandaan.

Het criminele gedrag van een kleine groep stoorde vaak het establishment onder Joden die mettertijd met moeite in de dorpen en steden rechten hadden verworven. In de rechterlijke archieven worden die criminele Joden vaak voor smous uitgemaakt in de negatieve betekenis van Joodse dief of zwerver. Veel achttiendeeeuwse verordeningen zijn dan ook gericht tegen deze zwervende Joodse massa. Joodse criminelen opereerden vaak niet zelfstandig maar waren georganiseerd in losse verbanden: met elkaar of met niet-Joden.

Gevange zittende Smous, 1737 A. Van Buysen.

Armoede was zowel voor vrouwen als mannen de belangrijkste drijfveer om via illegale praktijken geld te vergaren. Joden, actief in het criminele circuit, werkten daarnaast als ongeschoolde en geschoolde arbeiders in een breed scala van beroepen zoals in de straathandel, als slepers, knechten, diamantslijpers, tabaksarbeiders en winkeliers. Een enkeling was soldaat of matroos. Meestal waren de Joodse criminelen niet verbonden met de gevestigde Joodse gemeentes, die dergelijke types liever kwijt dan rijk waren. Toch namen ze vaak wel de Joodse religieuze praktijken in acht, zeker waar het de Asjkenaziem betrof. Volgens hun niet- Joodse kameraden spraken die onderling ‘Joodsch’ (Jiddisch). Portugese Joden in de marges van de samenleving blijken minder streng in de leer te zijn. De religie deed er vaak niet zo toe.

Hun vrouwen en kinderen lieten deze Joden meestal achter in de steden, zij betrokken hen nauwelijks bij hun illegale praktijken. Zo hielden ze vast aan de traditioneel-Joodse rollenpatroon tussen man en vrouw. De Joodse gemeenschap bood vaak wel materiële hulp aan vrouwen en kinderen die in de problemen waren gekomen door gevangenisstraf of doodvonnis van hun geliefden. Zo probeerde zij hen toch vooral binnen boord te houden en hun toekomst veilig te stellen. Anderzijds treffen we enkele vrouwen aan, Portugees en Hoogduits, die als prostituee, als wasvrouw of dienstbode via het criminele circuit wat extra geld verdienden. Eén spoor leidt naar Zeeburg, waar kinderen van Asjkenazische prostituees werden begraven.

© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’