volgende       volgende
1967

Joodse burgemeesters van Amsterdam (1967-2010)

Bewust beleid was het niet, maar helemaal toevallig evenmin: na de oorlog had Amsterdam de ene na de andere Joodse burgemeester. Het begon met Ivo Samkalden, een doorgewinterde bestuurder en jurist die na een post als minister van justitie in 1967 burgemeester van Amsterdam werd. Dat was in een lastige tijd vol protest, rellen en studenten die in 1969 het Maagdenhuis als het hoofdkwartier van de universiteit bezetten. Samkalden trad met krachtige hand op, verbood het onder alternatieve jongeren gangbare slapen op de Dam en liet de politie de Maagdenhuisbezetting beëindigen. Daardoor dwong Samkalden respect af, hoewel hij vooral uit zijn eigen PvdAachterban ook de nodige kritiek moest slikken. Over zijn Joodse identiteit liet Samkalden zich niet vaak uit, maar hij schroomde er niet voor om ondanks protesten vanuit Arabische landen zich voor de fondsenwerving voor Israël in te zetten.

Toen Samkalden in 1977 terugtrad, werd hij opgevolgd door Wim Polak. Die was begonnen als journalist bij de socialistische krant ‘Het Vrije Volk’ en werd via de gemeentepolitiek en een staatssecretariaat uiteindelijk benoemd tot burgemeester van Amsterdam. Hij moest in 1980 de rellen rond de kroning van Beatrix zien te bedwingen. In datzelfde jaar bracht hij een officieel bezoek als burgemeester aan Tel Aviv en Jeruzalem, wat zijn verbondenheid met Israël verstevigde. Tegen de vergunning voor een collecte van het Palestina Comité verzette hij zich heftig. Pas na zijn terugtreden als burgemeester, in 1983, zette hij zich ook bestuurlijk voor de Joodse gemeenschap in. Misschien wel de meest uitgesproken Joodse burgemeester was Ed van Thijn, die van 1983 tot 1994 de ketting droeg. Hij verbond zijn politieke inzet expliciet aan zijn achtergrond in het Joodse proletariaat van Amsterdam en de ervaring van de Jodenvervolging. Hij liet zich ook duidelijk over zijn identiteit uit: ‘Ik beleef mijn Joodzijn zeer bewust, voel mij ook sterk verbonden met het jodendom als zodanig, maar wens volstrekt zélf te kunnen bepalen wat dat voor mij betekent en welke relevantie dat voor mij heeft in concrete keuze-situaties. Ik weiger mij door anderen te laten indelen, ongeacht of die anderen Joden of niet-Joden zijn. Niets of niemand kan mij voorschrijven hoe ik mijn eigen “ik” wens te beleven.’

Ed van Thijn was één van de meest spraakmakende burgemeesters van Amsterdam in de twintigste eeuw. Hij noemde zichzelf, in tegenstelling tot sommige van zijn collega’s, onbeschroomd een ‘Joodse politicus’.

Na een intermezzo met Schelto Patijn, nam in 2001 Job Cohen het stokje over. Zijn inzet om na de moord op de cineast Theo van Gogh de rust in Amsterdam te handhaven door dialoog en gericht ingrijpen, wist in binnen- en buitenland respect af te dwingen. Toen hij in 2010 de stad verliet voor de landelijke politiek kwam er een (voorlopig) einde aan de serie beeldbepalende Amsterdams-Joodse bestuurders.

© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’