volgende       volgende
1947

Landdag van de Joodse Jeugdfederatie

‘Wij jongeren moeten nu een beslissing nemen. Op ons, op de jeugd komt het aan’, zo hield de voorzitter van de Nederlandse Zionistenbond, Jaap van Amerongen, het de verzamelde Joodse jeugd op de Landdag in Soest in een emotionele toespraak voor. Terwijl ouderen vaak op genomen besluiten terugkomen, moesten jongeren trouw zijn aan het revolutionaire vuur: zij moesten niet alleen praten over emigratie naar Israël, maar dat ook echt doen. ‘Hij merkte op, dat het voor sommigen van ons makkelijker, maar voor velen van ons moeilijker zal zijn in Eretz Israel, maar daarvan mag de beslissing niet afhangen: want er is maar één weg.’

Die overtuiging voerde de boventoon in de Joodse jeugdbewegingen die opmerkelijk sterk waren na de oorlog. Op 14 oktober 1945 ging de Joodse Jeugdfederatie weer van start met vijftien over het hele land verspreide afdelingen en zo’n vijfhonderd leden. Een jaar later waren er al 22 afdelingen en 571 leden. De voornaamste afdeling was die in Amsterdam, die de veelzeggende naam Sjear Jasjoev had gekregen: ‘een rest keert weer’. De ‘Jewish Brigade’, Joodse soldaten in het Britse bevrijdingsleger, speelde een belangrijke rol bij het opbouwen van de Joodse jeugdbeweging. Ook werden vanuit Palestina jeugdwerkleiders, sjeliechiem, gestuurd. Een van de eerste was Jitschak Slijper, die in 1946 direct al zijn visitekaartje afgaf: ‘Onze taak is het de Joodse jeugd te behouden voor Israël. ’In de jeugdbeweging moesten Joodse jongeren daarop voorbereid worden en Hebreeuws leren. ‘Voorop staat dat wij een land moeten opbouwen.’

Een van de nieuwe jeugdbewegingen die na de oorlog ontstond was de orthodox-zionistische Bne Akiwa. Aanvankelijk gebeurde dat onder de koepel van de Joodse Jeugdfederatie, later viel die koepel weg mede door de verzelfstandiging van Bne Akiwa. Hier een foto van een zomerkamp in de periode 1946-1948.

Op de jaarlijkse landdag ontmoetten Joodse jongeren uit het hele land elkaar. Er waren bevlogen toespraken, muziek en dans en het hijsen van vlaggen. De landdag bleef bestaan ook toen de ‘Joodse Jeugdfederatie’ uiteen viel in twee aparte zionistische jeugdbewegingen: het socialistische Haboniem en het orthodoxe Bnei Akiwa. Beide waren onderdeel van grote, internationale koepels en werden mede geleid door steeds nieuwe jeugdleiders uit Israël. Voor de oudere jeugd die de keus al had gemaakt te emigreren, waren er ‘kibboetsiem’: vaak een boerderij waar landbouwtraining werd gegeven met het oog op de opbouw van Israël. Zo waren er in Gouda en ’s Graveland zulke kibboetsiem.

De jeugdbewegingen brachten Joodse jongeren bij elkaar, haalden hen uit hun isolement en hielpen hen om hun Joodse identiteit te ontwikkelen. De avonden van de afdelingen, de winter- en zomerkampen en de Landdag verbonden veel jongeren aan het Joodse gemeenschapsleven. Een deel van de jongeren emigreerde daadwerkelijk naar Israël, anderen bleven in Nederland en zetten zich in voor de Joodse gemeenschap. Dat gold niet alleen voor Haboniem en Bnei Akiwa, maar ook voor de kleinere jeugdbewegingen: de orthodoxe niet-zionistische Hasjalsjelet en de links-zionistische Hasjomer Hatsair.

© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’