volgende       volgende
1962

De Hollandsche Schouwburg

Het was een ingetogen bijeenkomst: 4 mei 1962 werd de ‘Hollandsche Schouwburg’ officieel geopend als hét monument voor de deportatie van de Joden uit de Nederlandse samenleving. Met de opening kwam een lange en soms pijnlijke zoektocht tot besluit, waarbij gezocht werd naar een passende bestemming voor de plaats waar vandaan van 20 juli 1942 tot 29 november 1943 meer dan 46.000 Joden naar Westerbork en vandaar naar de concentratiekampen gedeporteerd werden.
In 1945, na de bevrijding, leek het aanvankelijk alsof er niets was gebeurd. De nieuwe eigenaars, die in oorlogstijd het vroegere theater hadden verworven, namen het gebouw weer gewoon in gebruik voor feesten en partijtjes. Pas in 1946, toen bekend werd dat een ‘bonte avond’ in de Hollandsche Schouwburg georganiseerd ging worden, ontstond protest. Dat zwol snel aan en de gemeente Amsterdam verbood het. In allerijl werd een comité gevormd dat erin slaagde het gebouw te kopen en het vervolgens aan de Gemeente Amsterdam aanbood om er een passende bestemming aan te geven. Dat de Hollandsche Schouwburg als geheel een monument zou worden, was aanvankelijk niet de bedoeling. Een plaquette of een kleine gedenkruimte, dat was mogelijk, maar verder moest het pand weer volop in gebruik genomen worden, bij voorkeur wel door een gebruiker die gevoel had voor de betekenis van de plek, zoals het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie of een Israël Centrum. In 1958 werd echter de knoop doorgehakt en viel het besluit dat de Hollandsche Schouwburg één van de eerste monumenten in Nederland zou worden die de Jodenvervolging centraal stelde.

Dat is typerend voor hoe de herinnering aan de Jodenvervolging gestalte kreeg. Na de oorlog konden Joden nergens in het publieke domein, in een straat of op een plein, een monument oprichten. De enige uitzondering was nogal schrijnend: het monument van Joodse dankbaarheid dat in 1950 door een groep Joden aan de Nederlandse samenleving werd aanboden uit dank voor de hulp tijdens de oorlogsjaren. Het idee was dat er één monument was per wijk of plaats, waar alle Nederlandse oorlogsslachtoffers herdacht werden. Speciale aandacht voor de vermoorde Joden paste daarbij niet. Joodse gemeenten richtten daarom op Joodse begraafplaatsen en in synagoges monumenten op. Pas in de loop van de jaren 1960 ging dat veranderen. Toen in 1965 in de Hollandsche Schouwburg Jacques Presser zijn kroniek van de Jodenvervolging, Ondergang, presenteerde, ging een schok door Nederland. Het Joodse leed kreeg eindelijk voluit aandacht.
Vanaf dat moment verschijnen er monumenten voor vermoorde Joden in de straten en op de pleinen, door heel Nederland. Vanaf het moment dat steeds minder getuigen leefden, werd de aandacht steeds persoonlijker. Hun oorlogservaringen worden in boeken, media en het documentaireproject van Steven Spielberg vastgelegd. In het kielzog daarvan groeit ook het aantal Stolpersteine, kleine monumentjes met de namen van vermoorde Joden gegrift in de messing bovenlaag van een kleine vierkante kei voor hun laatste woonhuis. De Hollandsche Schouwburg ontwikkelde zich sindsdien tot een monument, een herdenkingsplek en kent een bescheiden museale functie.

De Hollandsche Schouwburg veranderde van een plaats van vermaak in een deportatieplaats en werd uiteindelijk een monument voor de vermoorde Nederlandse Joden.
© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’