volgende       volgende
1808

Opperconsistorie

Vanaf het begin van de vestiging van Joden in de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën waren de lokale Joodse gemeenschappen, van Amsterdam tot Appingedam, elk onafhankelijk geweest. Elke Joodse gemeente had zijn eigen bestuurders en rabbijnen, onderhield zelf contact met de eigen burgemeesters en wethouders en zette zelf het beleid uit. Uiteraard waren er onderlinge contacten tussen Joodse gemeenten en tussen rabbijnen, maar die waren informeel.

Daaraan moest een einde komen, zo vond Lodewijk Napoleon, die in 1806 koning was geworden van het Koninkrijk Holland. Nu Joden gelijkberechtigde burgers waren, waren de ‘Joodse Naties’ verdwenen. De rol van de Joodse gemeenschap mocht nu nog louter religieus zijn. Daartoe was ook de oprichting van een landelijk ‘kerkgenootschap’ nodig, precies zoals de Protestanten ook hadden. De lokale Joodse gemeenten moesten verenigd worden in een hiërarchische structuur, met een landelijk bestuur. Dat bestuur werd aangesteld door de koning en moest aan hem ook verantwoording afleggen. In Frankrijk, het grote voorbeeld, gebeurde op dat moment precies hetzelfde. Napoleon keurde in 1808 de oprichting van het Consistoire Central goed. Dat ging alle Franse Joden besturen. Nog in datzelfde jaar volgde het Koninkrijk Holland met het Opperconsistorie. Die moest de landelijke structuur gaan opzetten en het overheidsbeleid omzetten in daden. Lodewijk Napoleon benoemde in het Opperconsistorie vooral verlichte, progressieve Joden die zijn idealen deelden. Voorzitter werd de bekende jurist Jonas Daniël Meijer.

De Joodse jurist Jonas Daniël Meijer (1780-1834), een kleinzoon van Benjamin Cohen, kreeg van koning Lodewijk Napoleon een centrale rol toegewezen bij de organisatie van de Joodse gemeenten als voorzitter van het Opperconsistorie. Olieverfschilderij van Louis Moritz, ca. 1830.

Het was Lodewijk Napoleon een doorn in het oog dat er in Amsterdam twee Asjkenazische gemeenten waren: de conservatieve Alte Kille en de progressieve Neie Kille. Onder zijn druk werden beide gemeenten herenigd en kregen vervolgens de progressieve bestuurders topfuncties, zowel in de herenigde gemeente als in het nieuwe Opperconsistorie. Het idee was dat op die manier de plannen snel in daden zouden worden omgezet, Joden ‘goede en beschaafde’ burgers zouden worden en de grote armoede bestreden kon worden. Het Opperconsistorie slaagde er nauwelijks in iets van de grond te krijgen. De meeste Joodse gemeenten en rabbijnen waren verontwaardigd dat hun autonomie werd aangetast en probeerden steeds onder de maatregelen uit te komen. Maar het was uiteindelijk de grote politiek waardoor het Opperconsistorie faalde: in 1810 werd het Koninkrijk Holland opgeheven en door Napoleon geannexeerd en bij Frankrijk gevoegd. Vanaf 1810 tot 1813 waren de Nederlandse Joden Franse Joden geworden en werden ze door het Parijse Consistoire Central bestuurd. Maar ook daar werd steen en been geklaagd over de geringe successen die in het vroegere Holland werden behaald.

Toen in 1813 de Fransen wegtrokken, stond voor de meeste Joden in ieder geval één ding vast: het Opperconsistorie mocht niet terugkeren. In de korte tijd van zijn bestaan had het zich door radicale maatregelen bijzonder impopulair gemaakt. Maar de vraag was vervolgens: wat dan wel? Hoe moest het verder met Joods Nederland?

© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’