volgende       volgende
1708

Spaanse editie van Aboabs Menorat ha-Ma’or

Hoogtepunten uit de Hebreeuwse literatuur van de Spaanse Joden werden vaak in de (Sefardische) diaspora opnieuw uitgegeven en soms vertaald, zodat vooral Conversos er bij hun komst in de Joodse wereld kennis van konden nemen. Eén zo’n boek was Isaac Aboab’s veertiende-eeuwse Menorat ha-Ma’or dat nu ook in Amsterdam in 1708 onder de Spaanse titel Almenara de la Luz (Kandelaar van het Licht) van de pers rolde. Het boek gaat vooral over de ethiek van het jodendom en de Spaanse editie maakte de inhoud beter toegankelijk.

Het Portugees en Spaans waren vooral de talen waarin Amsterdamse Portugezen in de vroegmoderne tijd met elkaar communiceerden, mondeling en op papier. Het Spaans werd vaak gebruikt voor literatuur en wetenschappelijke werken. In twee literaire academies, de Academia de los Sitibundos en de Academia de los Floridios, werd Spaanse en Portugese literatuur bestudeerd en bediscussieerd, werden filosofische vragen opgeworpen en nieuwe werken geïntroduceerd. Zo bleef de band met de Spaanse en de Portugese cultuur van het land van herkomst behouden. Dat gebeurde ook door de voortdurende aanwas van immigranten uit het Iberisch Schiereiland. Daarnaast werden kinderen op de scholen Portugees en Spaans onderwezen, terwijl op privé-basis vooral aan toekomstige studenten medicijnen, maar ook aan anderen, Latijn werd onderricht.

Titelblad van Isaac Aboab, Almenara de la Luz . Tratado de mvcho provecho para beneficio del alma… Amsterdam 5468[1708]

De administratie van de Portugese gemeente werd vooral in het Portugees vastgelegd, met hier en daar Spaanse teksten er tussendoor. Ook zochten Portugese Joden naar notarissen in de stad, die in staat waren hun testamenten, huwelijksvoorwaarden en andere belangrijke documenten in het Portugees of Spaans op te stellen. Daarnaast beheersten Portugese Joden veel andere talen en als dat niet zo was konden Portugese tolken hen vaak verder helpen.

Natuurlijk spraken veel Portugese Joden ook Nederlands en konden ze die taal lezen, maar voor sommigen bleek het soms toch een onoverkomelijke barrière. Pas aan het eind van de achttiende eeuw komt het gebruik van de Nederlandse taal in documenten vaker voor, al is de invloed van het Nederlands op hun Portugees en Spaans al veel eerder herkenbaar. In de achttiende eeuw spraken Portugezen overigens liever Frans, dat toen als taal van de elite ‘en vogue’ was. In hoeverre Portugezen het Hebreeuws meester waren, valt moeilijk te beoordelen, vooral als het om nieuwe immigranten ging. De generatie die in Amsterdam geboren werd, heeft via het onderwijssysteem van de gemeente in ieder geval een redelijke kennis van het Hebreeuws meegekregen. De enorme talenkennis van Portugezen in Amsterdam heeft hen lokaal en internationaal zeker een enorm voordeel gegeven en hen in staat gesteld op diverse niveaus te opereren.

© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’