volgende       volgende
1880

Abraham Carel Wertheim (1832-1897)

Hij was de ongekroonde koning van Joods Amsterdam: Abraham Carel Wertheim, door vriend en vijand kortweg A.C. genoemd. Het familiebedrijf Wertheim en Gompertz bouwde hij vanaf 1858 uit tot een vooraanstaande bank. Met een totale belastingaanslag van duizend gulden behoorde hij bij de meest vermogende Amsterdammers. Hij had de sterke overtuiging dat een bankier moest werken in dienst van de samenleving. Daarom keek hij bij zijn investeringen nadrukkelijk naar werkgelegenheid en de bloei van de Nederlandse economie. Bovendien weigerde hij na 1880 mee te doen met de emissie van Russische leningen, uit protest tegen de felle pogroms tegen Joden in Rusland.

Wertheim was, evenals zijn Portugees-Joodse vriend en medestander Samuël Sarphati, een gezien man. Hij was lid van talloze genootschappen en gezelschappen, was voorzitter van de vereniging die plannen ontwikkelde om de Zuiderzee af te sluiten en in te polderen en deed veel voor het toneel. Politiek was hij zeer actief voor de liberalen, zetelde hij lange tijd in de Provinciale Staten van Noord-Holland en bracht hij het uiteindelijk tot Eerste Kamerlid. Toen hij daar op zijn Joodse identiteit werd aangesproken, zei hij: ‘Ik zit niet in de Staten-Generaal als Jood noch voor de Joden. Mijn geheele verleden bewijst, dat ik geen onderscheid ken noch maak tussen de verschillende gezinten.’

Olieverfschilderij van Abraham Carel Wertheim van de hand van Thérèse Schwartze uit 1896.

Wertheim staat symbool voor de typisch Nederlands-Joodse samenwerking tussen veelal niet-vrome bestuurders en orthodoxe rabbijnen. Hij was niet vroom, at niet kosjer en hield zich niet aan de sjabbatwetten, maar zette zich niettemin met hart en ziel in voor de Joodse gemeenschap. Bestuurders als Wertheim garandeerden dat de rabbijnen binnen sjoel volledige zeggenschap hadden, maar maakten ook duidelijk dat hun autoriteit bij de drempel van sjoel ophield. Wat Joden thuis en in het publieke domein deden, was hun eigen verantwoordelijkheid. Zoals Wertheim het zelf uitdrukte: ‘In de Kerk’ – en daarmee bedoelde hij dan de synagoge – ‘Israëlieten, moeten wij daarbuiten in den vollen, onverdeelden, onsplitsbaren zin van het woord medeburgers zijn’.

Vanuit die overtuiging zat Wertheim jarenlang in de ‘kerkenraad’ van de Nederlands-Israëlietische Hoofdsynagoge Amsterdam, de hoofdstedelijke Joodse gemeente. Vanaf 1886 tot aan zijn overlijden was hij zelfs voorzitter. Met orthodoxe leiders als Akiba Lehren en opperrabbijn Joseph Hirsch Dünner kon A.C. goed overweg. Over en weer was er sprake van respect en werd de typisch Nederlandse samenwerking tussen orthodoxe rabbijnen en verlichte bestuurders als iets bijzonders gekoesterd. Tot diep in de twintigste eeuw werden soortgelijke bestuurders van orthodoxe gemeenten nog ‘wertheimianen’ genoemd. In Amsterdam is Wertheim nog altijd niet vergeten, met een monument in een naar hem genoemd park.

© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’