volgende       volgende
1874

Joseph Hirsch Dünner wordt opperrabbijn

Als geen ander drukte opperrabbijn dr. Joseph Hirsch Dünner (1833-1911) zijn stempel op Joods Amsterdam: dat moest gematigd orthodox, intellectueel, beschaafd en Nederlands zijn. Als rector van het Nederlands Israëlietisch Seminarium leidde hij al sinds 1865 de nieuwe generatie geestelijk leiders voor Joods Nederland op. In 1874 volgde daarop een benoeming als opperrabbijn van Noord-Holland, met Amsterdam als hoofdzetel.

Dünner wilde koste wat het kost voorkomen dat er in Nederland, zoals in Duitsland, een splitsing zou ontstaan tussen liberale en orthodoxe Joden. Dat lukte hem: iedereen, van vroom tot vrij, bleef in de ‘eenheidsgemeente’, samengebonden door de overtuiging dat Nederlandse Joden de gematigde middenweg bewandelden. In zijn intreerede als opperrabbijn had de van oorsprong uit Krakau afkomstige Dünner zijn visitekaartje al afgegeven. Hij vond het de taak van de moderne rabbijn om niet in zijn studeerkamer te blijven zitten, maar om de gemeenschap voor te gaan, een nieuwe weg te wijzen, eenheid te bevorderen en tweespalt te voorkomen om zo ‘op vreedzamen weg vooruit te streven’. Daartoe was ‘kennis van het jodendom en algemeene beschaving’ beide evenzeer nodig. Tegen die achtergrond reorganiseerde Dünner het opleidingsinstituut voor rabbijnen, het seminarium. Hij zorgde dat de studenten goed leerden preken en een brede kennis ontwikkelden over de intellectuele westerse traditie: Griekse filosofie en de Romeinse wetten en politiek. Talmoed werd niet langer op traditioneel-Joodse wijze gedoceerd, maar via de moderne historisch-kritische methode. Hoewel hij tegen eenzelfde moderne omgang met de Bijbel was, zorgden zijn wetenschappelijke ambities ervoor dat orthodoxe collega’s in het buitenland hun wenkbrauwen fronsten over de Amsterdamse opperrabbijn. Ook de andere opperrabbijnen in Nederland, van de oude stempel, spraken Dünner kritisch tegen.

Portretfoto van opperrabbijn Joseph Hirsch Dünner uit ca. 1900.

Door zijn leerlingen werd Dünner echter op handen gedragen. Na verloop van tijd werden vrijwel alle opperrabbinale posities in Nederland door Dünners leerlingen ingenomen. Zij omschreven hem als de ‘Grote Meester’, als een Joods en wetenschappelijk genie, die als een zorgzame en strenge vader voor de Nederlandse Joden had gezorgd. Hij had door zijn gematigde middenkoers de eenheid behouden en het in Duitsland zo succesvolle liberale jodendom buiten de deur weten te houden. Alleen Dünners positieve visie op het zionisme namen de meeste leerlingen niet over: dat konden zij moeilijk combineren met hun uitgesproken Nederlandse nationalisme en met de traditionele Joodse ideeën over een terugkeer naar het Land Israël na de komst van de messias.

© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’