volgende       volgende
1817

Onderwijsbesluit: Joden moeten Nederlands leren

Joden waren op papier dan wel gelijkberechtigde burgers, maar dat moest nog wel in de praktijk gebracht worden. Daarom ontwikkelde de overheid samen met de Joodse elite een integratiebeleid om ervoor te zorgen dat Joden ook daadwerkelijk volop zouden gaan meedoen in de Nederlandse samenleving. Taalpolitiek was daarbij de voornaamste sleutel. Joden moesten van het Jiddisch op het Nederlands overstappen. Die ‘wartaal’ zou Joden alleen maar isoleren en een slechte invloed op hun ‘beschaving’ hebben, vond minister Repelaer van Driel.

Het voornaamste middel tot integratie was het Joodse onderwijs. Daarom werd in een wet van 10 mei 1817 vastgelegd dat op de Joodse armenscholen voortaan alleen nog maar Nederlands en Hebreeuws zouden klinken. Het Jiddisch werd verboden. Ook veranderde het lesprogramma: naast Joodse vakken als Tora-lezen en Hebreeuwse gebeden leren, kwamen de maatschappelijke vakken: Nederlands, aardrijkskunde en rekenen. Alleen zo zou een nieuwe generatie als echte Nederlandse burgers zijn plaats in de samenleving kunnen innemen.

Veel van de talloze onderwijsboekjes voor het Joods onderwijs werd vervaardigd door leden van het genootschap Tongelet, dat grote waarde hechtte aan het gebruik van een zorgvuldig, bijbels Hebreeuws. David Abraham Lissaur was één van hen.

Toch werd een verstandig beleid gevoerd. Hoewel er op papier geen Jiddisch meer op school mocht klinken, was dat in de praktijk een onhaalbare doelstelling. De meeste leraren kenden geen Nederlands, want ze waren uit Polen en Duitsland afkomstig. Bovendien was er nauwelijks goed Nederlandstalig lesmateriaal. Eerst werd daarom hard gewerkt aan de scholing van nieuwe Nederlands-Joodse leerkrachten en werd de uitgave van Nederlandstalige schoolboekjes gestimuleerd. Pas toen aan die randvoorwaarden was voldaan, zo rond 1835, werd met harde hand de omschakeling van Jiddisch op Nederlands afgedwongen. Een speciale inspecteur, Samuel Israël Mulder, moest controleren of de ‘oude Brabbeltaal’ nog werd gebruikt of dat al op de ‘vaderlandsche taal’ was overgeschakeld. Zodra Mulder erachter kwam dat de lessen nog in het Jiddisch werden gegeven, kreeg het schoolbestuur een strenge brief: bij een volgende inspectie moest de school volledig Nederlandstalig zijn. Zo niet, dan werd de cruciale subsidie ingetrokken. Dat dreigement trof doel: de veelal arme Joodse gemeenschappen konden zonder overheidssubsidie onmogelijk eigen scholen in stand houden.

De taalpolitiek was een groot succes. De nieuwe Joodse generatie was volledig Nederlandstalig. Het West-Jiddisch, dat in Nederland werd gesproken, stierf binnen een eeuw tijd zelfs uit. Slechts woorden en zinnetjes opgenomen in het Nederlands en taaleigen van Nederlandse Joden, herinneren er nog aan, van ‘stiekem’, ‘mazzel’ en ‘gein’ tot ‘lef’, ‘smoes’ en ‘gotspe’. De wil om te integreren en het verlangen om de kinderen een betere toekomst te geven, zorgden ervoor dat er van verzet tegen de taalpolitiek nauwelijks sprake was.

© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’