volgende       volgende
1814

Israëlitisch kerkgenootschap

Toen in 1813 de Fransen zich terugtrokken uit Nederland, ontstond een vacuüm. Daarin stapte al snel Willem Frederik van Oranje, die zichzelf uitriep tot ‘soeverein vorst’ en in 1814 tot koning Willem I werd gekroond. Hij moest zich al snel met de Joodse gemeenschap bezighouden: daar was grote verdeeldheid ontstaan over de koers. De oude bestuurders en rabbijnen wilden het liefst terugkeren naar de situatie van vóór de emancipatie van 1796 en weer een ‘Joodse Natie’ worden. De verlichte bestuurders wilden de verworvenheden van de Bataafs-Franse tijd echter niet verliezen: de gelijke burgerrechten en de landelijke organisatiestructuur.

Willem I hakte de knoop door: de emancipatie bleef gehandhaafd en er kwam een nieuw ‘Israëlitisch kerkgenootschap’. Dat werd op een vergelijkbare manier als de Protestantse kerkgenootschappen georganiseerd en viel onder het Departement voor Hervormde Eredienst enz. De overheid had zo controle over de verschillende religies en kon een verlicht beleid doorvoeren.

Sinds 1817 verkreeg het Israëlitisch kerkgenootschap het recht om een eigen wapen te voeren, met daarbij het rijkswapen in het klein opgenomen. Het gaat om een gouden gekroonde leeuw op een rood veld, in de ene klauw voerend een bundel pijlen en de andere klauw vasthoudend een hemelsblauw schild met daarop in wit de davidster. Sinds het tweehonderdjarig bestaan in 2014 voert het NIK het wapen opnieuw.

In het ‘Israëlitisch kerkgenootschap’ waren alle Portugese en Asjkenazische Joodse gemeenten opgenomen. Een Hoofdcommissie tot de zaken der Israëliten stond aan het hoofd. Hij was verantwoordelijk voor een vergaande centralisering van al het Joodse leven: alle Joodse gemeenten werden in provinciale ‘ressorten’ ondergebracht met elk een eigen opperrabbijn. De top van de piramide was de Hoofdcommissie zelf. Die bereidde het beleid voor de Joodse gemeenschap voor, waarop de minister en de koning dat vrijwel altijd overnamen. Vervolgens werd ervoor gezorgd dat het overheidsbeleid werd nageleefd in alle Joodse gemeenten: van Amsterdam tot Delfzijl. Het ‘Israëlitisch kerkgenootschap’ had een gematigd orthodox profiel. In de synagogen werd de halacha – de Joodse wetten – onverminderd gehandhaafd en ook de (opper)rabbijnen moesten orthodox zijn. De leden waren echter volkomen vrij om in hun persoonlijke leven eigen keuzes te maken. Waar vooral de nadruk op werd gelegd was dat de Joodse gemeenschap een voluit Nederlandse gemeenschap moest worden. Vaderlandsliefde, burgerschap en Oranjeliefde waren de voornaamste waarden die werden uitgedragen – en die door de bestuurders en rabbijnen nauw werden verbonden met het jodendom. Zo werd gebouwd aan een nieuwe identiteit die volop Nederlands én volop Joods was.

Na de scheiding van kerk en staat in 1848 moest het ‘Israëlitisch kerkgenootschap’ losgemaakt worden van de overheid. De reorganisatie werd pas in 1870 afgerond: een klein deel werd het Portugees-Israëlietisch Kerkgenootschap en het overgrote deel het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap. Beide zetten de structuren en ideeën van 1814 voort, maar deden dat nu als vrije, onafhankelijke Joodse kerkgenootschappen.

© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’