volgende       volgende
1833

Van Blijdesteijn

Hoewel door de emancipatie Joden in principe voor elk mogelijk beroep konden kiezen, veranderde het economisch profiel van de gemeenschap maar langzaam. Zoals in de hele samenleving namen ook de meeste Joodse jongeren het beroep van hun ouders over. In Amsterdam was dat onder meer de diamantindustrie en in het hele land was dat de kleine handel. Joden waren vertrouwde marktkooplui, verkochten als venters hun waren in de steden en trokken als marskramers het platteland door met het pak op de rug. Vooral manufacturen en textiel gingen mee op de dagenlange tochten langs boerderijen en kleine dorpen: ‘zulke Joden vindt men in ons land overal, die namelijk den kost winnen met het koopen, verkoopen of ruilen van oud en nieuw goed’.

Een deel van de marskramers vestigde zich op het platteland. Vanuit een centrale locatie werd het omliggende gebied dan bediend. Stoffen, snuisterijen, loterijbriefjes, het ging allemaal mee. Grotere bestellingen werden opgenomen en later bezorgd. In de loop van de negentiende eeuw startten steeds meer van deze kleine kooplieden met een winkel, die aanvankelijk als uitvalsbasis diende. Maar gaandeweg namen deze winkels de rol van de marskramers over. Zo ging dat ook met de zaak die de Duits-Joodse immigrant Hijman van Blijdesteijn in het Betuwse Ophemert in 1833 begon. Aanvankelijk was hij één van de vele ‘klerenJoden’ en ook zijn zoons trokken nog langs de boerderijen: ‘Samuel en Manuel dat zijn twee gezellen’, zo luidt een lokaal rijmpje, ‘Samuel verkoopt de lappen, Emanuel koopt de vellen’. Ernaast kwam echter al gauw een winkel, die steeds belangrijker werd.

De fourniturenkist die in de eerste decennia van de twintigste eeuw nog altijd werd gebruikt door de familie Van Blijdesteijn om langs de boerderijen te gaan.

Als Van Blijdesteijn waren er in heel Nederland talloze Joodse textielen kledingzaken te vinden. Het waren typische familiebedrijven, die van vader op zoon werden doorgegeven. Vaak hadden andere familieleden in naburige plaatsen een vergelijkbare winkel. Van Blijdesteijn was één van de meest succesvolle, zeker na een verhuizing in 1924 naar Tiel. Daar groeide de zaak uit tot een regionaal modecentrum. Van allerhande textiel – van korsetten tot stoffen – specialiseerde Van Blijdesteijn zich in confectie. In de Tweede Wereldoorlog wisten de eigenaars in onderduik te overleven, terwijl de zaak onder leiding van een nazi-gezinde ‘Verwalter’ stond. Na de bevrijding werd de zaak echter weer voortgezet en kreeg het door een opvallend advertentiebeleid en eigen modeshows ook landelijke bekendheid. Nog altijd bestaat de firma en heeft de familie zelf het heft in handen.

© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’