volgende       volgende
1721

Elizabeth Nathanael Sarfati

In de zeventiende en achttiende eeuw zien we geen Joodse vrouwen medicijnen studeren aan een universiteit in de Republiek of daarbuiten. Toch draaiden ze wel degelijk mee in de (zieken-) zorgsector. Ze assisteerden doktoren en chirurgen bij het uitoefenen van hun beroep. Ook zorgden ze voor zieken en stervenden binnen hun gemeenschap, waarbij dan nog wel de aantekening gemaakt moet worden dat vooral in de zeventiende eeuw Asjkenazische vrouwen (en mannen) vaak werden ingezet bij ziekenzorg voor Portugese Joden. Die laatsten maakten er liever hun handen niet aan vuil.

Joodse vrouwen waren ook actief als vroedvrouw. Als zodanig was Simca de Campos werkzaam, kleindochter van Chacham Isaac Uziel uit Noord-Afrika. Ze assisteerde bijvoorbeeld bij de geboorte van Simón, zoon van Daniel Levi de Barrios, die als dank een sonnet voor haar schreef. Al deze beroepen zullen Joodse vrouwen in de vertrouwde omgeving van de familie geleerd hebben, zoals ook dat van apotheker. Hoewel aanvankelijk in 1667 de verkoop van medicijnen door Joden aan niet-Joden verboden was, werd dat besluit in 1711 weer ingetrokken. Wel moesten Joden nu verplicht een apothekersexamen afleggen. Elizabeth heeft dat ook gedaan. Zij, en anderen met haar, zoals de vrouw van Isaac de Castro, zetten vaak, na het overlijden van hun man of vader, de zaak voort en zullen van hen het vak ook hebben geleerd.

De De Castro Apotheek Muiderstraat 16, Amsterdam.

In 1795 waren er in Amsterdam dertien Joodse apothekers, onder wie drie Hoogduitse. Eén daarvan, onder de naam De Castro, bestaat nog steeds en is gevestigd in de Muiderstraat. Terwijl de medische sector onder Joden goed vertegenwoordigd was, is er in de zeventiende en achttiende eeuw nog geen sprake van Joodse ziekenhuizen of psychiatrische inrichtingen, zoals die later werden opgezet. Bij uitzondering werd gebruik gemaakt van stedelijke instellingen, al werd het kosjere eten dan door de Joodse gemeenschap verzorgd. Onzichtbaar voor de buitenwereld werden zieken via de thuiszorg behandeld. Ook runden sommige Joden thuis een soort ziekenhuisje of verzorgden ze lichamelijk of geestelijk gehandicapten op een permanente, particuliere basis, betaald door de familie of de Joodse gemeenschap.

Behalve zorg vanuit de Joodse publieke sector via een organisatie als Bikoer Choliem, die eigen doktoren en chirurgijns in dienst had, bestonden er ook veel particuliere welzijnsorganisaties die net als de gilden ook ziekenzorg aanboden. Zo was er onder Portugezen de vereniging van wederzijdse hulp Temime Darech, die zich vooral op ziekenzorg toespitste. De grote meerderheid bestond uit vrouwelijke leden. Op die manier zochten vrouwen beschutting tegen onverwachte tegenslag, terwijl hun betrokkenheid in de zorgsector hen verzekerde van een bron van inkomsten.

© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’