volgende       volgende
1696

Het aansprekersoproer

Vooroordelen tegen Joden bleken sterk verankerd in de samenleving van de Republiek. Dat bleek wel toen behalve de residenties van welgestelde Amsterdamse burgemeesters en andere gezagsdragers, ook het huis van de voorname handels- en bankiersfamilie De Pinto in de Sint Antoniebreestraat doelwit werd van plundering tijdens het zogenaamde aansprekersoproer van 1696. Rijkdom en Joden waren voor de woedende menigte arme Amsterdammers, die in protest kwam tegen maatregelen genomen rond de invoering van een nieuwe begrafenisbelasting, blijkbaar identiek. Joden hadden in principe niets met de maatregelen rond de nieuwe wetgeving van doen. De bestorming leek daarom te wijzen op vooroordelen tegen Joden, die overigens tot dan nauwelijks fysiek met incidenten te maken hadden gekregen.

In theologische en polemische geschriften was soms wel sprake van vijandigheid tegenover Joden en hun godsdienst. Theologen als Gisbertus Voetius, Antonius Hulsius en Abraham Costerus hadden zich er soms schuldig aan gemaakt. In 1715 waren alle Joden van Nijmegen – tijdelijk – gearresteerd, omdat zij om religieuze redenen in het Duitse Kleef een Christelijk kind vermoord zouden hebben. In de achttiende eeuw traden stereotypen over Joden duidelijker naar voren. Het woord smous – mogelijk afgeleid van de Joodse naam Mousje (Mozes) – werd vaak gebruikt om anti-Joodse gevoelens te verwoorden en stond gelijk aan Joodse dief of bedrieger. De term werd gebruikt in de dagelijkse voertaal of in de literatuur als men neerbuigend wilde spreken over Joden of het nu Sefardiem of Asjkenaziem betrof. Zo gebeurde dat tijdens de beurscrash van 1720, waarbij Joodse makelaars niet alleen doelwit waren van fysiek geweld. Ook in karikaturen, komedies en verzen als die verschenen in Het groote Tafereel der dwaasheid (1720) waren zij als smous onderwerp van spot. Het fenomeen ging verder: in de jaren rond 1730 en 1740 maakten schrijvers als Claus van Laar en Jacob Campo Weyerman zich schuldig aan gebruik van stereotypen over Joden vanuit een duidelijk antisemitische invalshoek.

Hof van de E: Heer de Pinto, ca. 1695 Romeyn de Hooghe.

Het heeft de positie van de Joden in de Republiek in die tijd niet echt veel schade berokkend. In de loop van de achttiende eeuw raakte hun economische en sociale positie sterk geworteld in de samenleving. Vooraanstaande Joden hadden niet alleen grote invloed binnen hun eigen gemeenschap, maar ook in politieke en diplomatieke kringen, in Amsterdam, in Den Haag en op Europees niveau. Die invloed zette zij niet alleen in voor hun eigen zaak, maar ook daarbuiten. De Joden van de Republiek hadden zich sinds hun vestiging een dergelijke krachtige positie verworven, dat een aansprekersoproer of andere uitingen van anti-Joodse sentimenten daar weinig aan konden afdoen.

© 2017, Joods Maatschappelijk Werk en Joods Educatief Centrum ‘Crescas’